Van Anderlecht tot het Rode Orkest: het ontwaken van een verzetsgeest
Sarah Goldberg wordt op 1 januari 1921 geboren in Warta, een kleine stad in Polen. Ze groeit op in een arme Joodse familie, die het materieel moeilijk heeft en te maken heeft met een steeds vijandiger klimaat. In 1930, wanneer het antisemitisme toeneemt en de armoede nog zwaarder op het gezin weegt, kiezen haar ouders voor ballingschap. België wordt hun nieuwe thuis. Sarah groeit op in Anderlecht, tussen het verlangen naar een beter leven en een vroege gevoeligheid voor onrecht.
Al op jonge leeftijd weigert ze zich neer te leggen bij fatalisme. Als tiener engageert ze zich in het verenigings‑ en politieke leven en sluit ze zich aan bij de sport‑ en cultuurkring “L’Unité”, een plek van intellectuele vorming en debat. Daar leert ze het onaanvaardbare te benoemen en de totalitaire ideologieën te bestrijden die zich in Europa verspreiden. Voor Sarah is engagement geen houding: het wordt al snel een noodzaak.
“Lilly”: strijden in de schaduw
Wanneer de Tweede Wereldoorlog uitbreekt en België wordt bezet door de nazi’s, wordt haar strijd gevaarlijker. Ze neemt eerst deel aan het burgerverzet binnen de Verenigde Socialistische Jonge Wachten. In juni 1941 wordt ze door Hermann Izbutski gerekruteerd voor een communistisch spionagenetwerk: het netwerk dat door de Abwehr de naam “Rode Orkest” krijgt. Onder de codenaam “Lilly” leert Sarah een radiozender bedienen en gecodeerde berichten door te geven. Overdag werkt ze als secretaresse in een Brusselse hoedenwinkel, ’s nachts wordt ze een discrete maar onmisbare schakel in een uitgebreid verzetsnetwerk.
In 1942 wordt het netwerk geleidelijk opgerold. Arrestaties en executies volgen elkaar op. Sarah weet aan de razzia’s te ontsnappen en sluit zich aan bij de 1ste Joodse Compagnie van de Gewapende Partizanen, verbonden aan het Onafhankelijkheidsfront. Ze neemt deel aan inlichtingenmissies, acties tegen collaborateurs en bevrijdingsoperaties van gevangenen. De strijd wordt nu gevoerd met wapens en elke opdracht kan haar laatste zijn.
Op 4 juni 1943 wordt ze uiteindelijk door de Gestapo gearresteerd in haar clandestiene appartement, gelegen in de Steenbeukstraat 50 in Vorst. Op 31 juli wordt Sarah gedeporteerd met konvooi XXI naar Auschwitz‑Birkenau. Dan begint de beproeving van de kampen: honger, geweld, systematische ontmenselijking. Zij overleeft terwijl vele anderen omkomen. Wanneer het Rode Leger nadert en de nazi’s de kampen evacueren, doorstaat ze de verschrikkelijke dodenmarsen. Uitgeput, maar levend, wordt ze op 27 april 1945 bevrijd aan de oevers van de Elbe.
Herinnering als strijd
De terugkeer naar België is moeilijk. Behalve haar zus en nicht heeft Sarah al haar familieleden verloren. Maar ze blijft vastberaden. Sarah Goldberg weigert te zwijgen. Ze zet zich in voor de overlevenden en de slachtoffers van de oorlog, werkt voor de “Aide aux Israélites victimes de la guerre” en werkt in de daaropvolgende jaren mee aan de oprichting van de Belgische afdeling van Amnesty International. Haar strijd verandert van vorm, maar niet van betekenis: de verdediging van de menselijke waardigheid.
Tot in de laatste jaren van haar leven blijft ze zich verzetten tegen racisme en alle vormen van onrecht. Ze ondersteunt comités die opkomen voor mensen zonder papieren en getuigt onvermoeibaar in scholen. Ze spreekt voor degenen die dat niet meer kunnen, overtuigd dat herinnering een wapen is tegen de herhaling van de geschiedenis.
Sarah Goldberg overlijdt in Brussel op 10 juni 2003. Ze laat veel meer na dan het parcours van een verzetsstrijdster: het voorbeeld van een vrouw voor wie engagement, van de clandestiniteit van het Rode Orkest tot de strijd voor de mensenrechten, altijd een manier is gebleven om mens te blijven tegenover onderdrukking.