Tot aan het einde van de middeleeuwen valt de begraving van overledenen in Brussel bijna uitsluitend onder het gezag van de Kerk. Vorsten, edellieden en kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders worden begraven in de kerken zelf, terwijl het grootste deel van de bevolking rust op de begraafplaatsen die aan de parochies grenzen. Deze plaatsen, die als heilig worden beschouwd, zijn dan nauw verbonden met het religieuze, sociale en gemeenschapsleven.
Archeologisch onderzoek in het historische centrum van Brussel heeft het bestaan van deze middeleeuwse stedelijke kerkhoven bevestigd, met name in de nabijheid van ziekenhuizen en religieuze instellingen zoals het voormalige Sint-Janshospitaal. De aangetroffen beenderen uit de 13e tot de 17e eeuw getuigen van begrafenispraktijken die diep verankerd waren in het hart van de stad
Aan het einde van de 18e eeuw doet zich een beslissende verandering voor. In 1784 vaardigt keizer Jozef II een gezondheidsdecreet uit dat begravingen in de onmiddellijke nabijheid van kerken in stedelijke gebieden verbiedt. Begraafplaatsen moeten voortaan worden omheind en geleidelijk worden verplaatst buiten dichtbevolkte zones. Deze hervorming is ingegeven door bezorgdheid over de volksgezondheid. Ze markeert het begin van de verdwijning van begraafplaatsen binnen de stadsmuren.
Aan het begin van de 19e eeuw draagt het napoleontisch decreet van 1804 het beheer van de begraafplaatsen over aan de gemeenten. Het voert ook het principe in van eeuwigdurende concessies, wat de bouw van duurzame monumenten bevordert. De begraafplaats wordt dan niet alleen een plaats van begraving, maar ook een plek voor herinnering, artistieke expressie en sociale erkenning.
Met de industrialisering en de snelle bevolkingsgroei in de 19e eeuw blijken de oude parochiebegraafplaatsen al snel ontoereikend. Grote gemeentelijke begraafplaatsen ontstaan aan de rand van de stad, zoals de begraafplaats van Brussel in Evere, ingehuldigd in 1877, en de begraafplaats van Laken, waarvan de ondergrondse grafgalerijen getuigen van architecturale innovaties die bedoeld waren om de beschikbare ruimte te optimaliseren.
Het napoleontisch decreet voorzag echter niet in een specifieke plaats voor personen zonder religie. Onder impuls van de liberale beweging en vrijzinnige burgers dringt de eis voor neutrale begraafplaatsen zich geleidelijk op. Het arrest van het Hof van Cassatie van 1864 bekrachtigt de secularisatie van de begraafplaatsen: alle overtuigingen, religieus of niet, worden er voortaan toegelaten en de inkomsten uit begravingen komen definitief toe aan de gemeenten.
In de tweede helft van de 20e eeuw verandert de omgang met de dood. Ze wordt discreter, intiemer en staat verder van het dagelijkse leven. Grafmonumenten worden soberder en richten zich vooral tot de naasten, eerder dan tot de publieke ruimte. Deze evolutie leidt tot een zekere uniformering van vormen en stijlen.
In de 21e eeuw zetten de Brusselse begraafplaatsen hun transformatie voort. Ze worden geleidelijk geïntegreerd in het stedelijke landschap als echte herdenkingsparken, die toegankelijk zijn voor wandelingen, bezinning en het doorgeven van collectieve herinnering. Sommige verlaten sites, zoals de begraafplaats van Dieweg in Ukkel, krijgen een erfgoed- en ecologische waarde. Tegelijk zet het Gewest zich in voor de bescherming van graven die historische, artistieke of landschappelijke waarde hebben.
De begraafplaats van Etterbeek: een lokale geschiedenis binnen een algemene beweging
Net zoals in vele Brusselse gemeenten vinden de eerste begravingen in Etterbeek plaats op parochiegronden in de nabijheid van de kerk. Oorspronkelijk ligt er een kerkhof rond de Sint-Gertrudiskerk, op het huidige Van Meyelplein. Door de bevolkingsgroei wordt dit kerkhof te klein en het wordt in 1885 ontmanteld bij de bouw van de nieuwe kerk.
Intussen wordt in 1870 een eerste gemeentelijke begraafplaats geopend, in de buurt van de huidige Gelijkheidsstraat. Deze begraafplaats raakt snel verzadigd en wordt in 1895 vervangen door een nieuwe site aan het Meudonplein, in Sint-Lambrechts-Woluwe. Dit terrein wordt aan Etterbeek afgestaan in het kader van een stedenbouwkundig akkoord waarbij de gemeente in ruil bijdraagt aan de verlenging van de Georges Henrilaan. Tussen 1898 en 1965 vinden er bijna 45.000 begravingen plaats.
Vanaf de jaren 1960 wordt de begraafplaats niet meer gebruikt omdat ze verzadigd is. In de jaren 1980 wordt de oude begraafplaats geleidelijk omgevormd tot een openbare ruimte: het Georges Henripark. Deze transformatie behoudt talrijke elementen van het funerair verleden: met kastanjebomen en lindebomen omzoomde lanen, fragmenten van grafstenen die in de bestrating zijn verwerkt, twee obelisken aan de ingang van het park en verschillende herdenkingsruimtes, waaronder een joods monument en een eerbetoon aan verzetsvrouwen en hun kinderen die in de nazikampen omkwamen. De plek illustreert zo dat de stad zich opnieuw kan uitvinden zonder de herinnering aan haar inwoners uit te wissen.
Door het gebrek aan ruimte opent de gemeente in 1958 een nieuwe gemeentelijke begraafplaats aan de rand van Brussel, in Wezembeek-Oppem, in de Lange Eikstraat. Deze ligging past in een brede tendens na de Tweede Wereldoorlog: begraafplaatsen verder van dichtbevolkte stedelijke zones.
Vandaag is de gemeentelijke begraafplaats van Etterbeek meer dan 18 hectare groot. Ze is ontworpen als een plaats van bezinning en wandeling, met een columbarium, strooiweiden en zones die zijn voorbehouden voor verschillende groepen, waaronder kinderen, oud-strijders en bepaalde religieuze gemeenschappen. Sinds 2015 wordt de begraafplaats onderhouden zonder pesticiden, volgens een milieuvriendelijkere aanpak.
Elk jaar, rond 1 november, worden er herdenkingsplechtigheden georganiseerd die herinneren aan de inzet van de inwoners van Etterbeek voor de vrijheid en die de collectieve burgerdimensie van deze plek benadrukken.
Levend erfgoed
De geschiedenis van de begraafplaats van Etterbeek weerspiegelt een ruimere evolutie die veel Europese steden hebben doorgemaakt: de overgang van centrale parochiebegraafplaatsen naar gemeentelijke begraafplaatsen in de aan de rand van de stad en vervolgens naar echte landschappen van herinnering en erfgoed. Doorheen haar verschillende levens (begraafplaats binnen de stad, openbaar park, hedendaagse begraafplaats) blijft ze een bevoorrechte getuige van de lokale geschiedenis.
Na de tweede helft van de 20e eeuw past de architectuur van begraafplaatsen zich aan