Reglement – belasting op de exploitatie van fietsdeeldiensten in vrije vloot – invoering

 

Artikel 1 – Voorwerp

Er wordt voor de jaren 2026 tot en met 2030 een gemeentebelasting gevestigd op de commerciële exploitatie van een fietsdeeldienst in vrije vloot op het grondgebied van de gemeente Etterbeek. De belasting wordt berekend op jaarlijkse basis maar wordt in twee keer geïnd per belastingjaar.

Artikel 2: Definitie

Dit reglement gebruikt de volgende definities:

  1. Wegcode: het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg.
  2. Fietsdeelvoertuig: - een voertuig in de zin van artikel 2.15.1 van de Wegcode; - een bromfiets in de zin van artikel 2.17 van de Wegcode, namelijk een tweewielige bromfiets, zowel van klasse A als van klasse B, en speedpedelecs; - alle andere voertuigen gedefinieerd in de artikels 2.15.2, 2.15.3 en 2.17 van de Wegcode.
  3. Voorbehouden stalling: een fysieke inrichting in de openbare ruimte voor het stallen van fietsdeelvoertuigen die enkel bestemd is voor fietsdeelvoertuigen van een of meerdere specifieke operatoren.
  4. Fietsdeeldienst in vrije vloot: dienst waarbij fietsdeelvoertuigen onder meer op de openbare weg ter beschikking worden gesteld van de gebruikers voor occasionele verplaatsingen, waarbij het fietsdeelvoertuig na elk gebruik wordt gestald voor een andere gebruiker en waarbij het starten en beëindigen van de verhuurperiode van het fietsdeelvoertuig niet enkel zijn toegelaten in voorbehouden stallingen.
  5. Operator: elke natuurlijke of rechtspersoon, Belgisch of buitenlands, die een fietsdeeldienst in vrije vloot organiseert, exploiteert of ter beschikking stelt op het grondgebied van de gemeente.
  6. Geregistreerde rit: elke daadwerkelijk gebruik van een voertuig van de fietsdeeldienst in vrije vloot, geïdentificeerd als gestart en/of beëindigd op het grondgebied van Etterbeek.

Artikel 3 – Belastingplichtige

§1. De belasting is verschuldigd door elke natuurlijke of rechtspersoon, Belgisch of buitenlands, die een fietsdeeldienst in vrije vloot organiseert, exploiteert of ter beschikking stelt op het grondgebied van de gemeente, voor commerciële doeleinden, ongeacht of deze terbeschikkingstelling rechtstreeks gebeurt of via partners, onderaannemers of technische platforms.

§2. Wanneer meerdere personen gezamenlijk optreden binnen eenzelfde dienst, zijn zij hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de belasting.

§3. In geval van exploitatie zonder vergunning van het Gewest of zonder duidelijke identificatie van de operator, kan de persoon op wiens naam de voertuigen die worden gebruikt voor het aanbieden van de fietsdeeldienst in vrije vloot zijn ingeschreven of regelmatig gelokaliseerd worden op het grondgebied van de gemeente, geacht worden belastingplichtig te zijn, tenzij er bewijs is van het tegendeel.

Artikel 4 – Toepassingsgebied

Dit reglement is van toepassing op elke commerciële exploitatie van een fietsdeeldienst in vrije vloot die toegankelijk is op het grondgebied van de gemeente, ongeacht het domicilie van de operator of de locatie van zijn maatschappelijke zetel.

Artikel 5 – Belastbaar feit

De belasting is halfjaarlijks verschuldigd door elke operator door het in dienst stellen van fietsdeelvoertuigen in vrije vloot die het vertrek en/of de aankomst van ritten op het gemeentelijk openbaar domein mogelijk maken.

Artikel 6 – Grondslag van de belasting

De belasting wordt per operator berekend op basis van een jaarlijks forfaitair bedrag, vermeerderd met de volgende cumulatieve variabele bedragen:

een variabel bedrag bepaald op basis van het aantal voertuigen dat gedurende het kalenderjaar op het grondgebied van de gemeente werd geëxploiteerd;

een variabel bedrag bepaald op basis van het totale aantal geregistreerde ritten dat in diezelfde periode op het grondgebied van de gemeente is gestart en/of beëindigd.

Artikel 7 – Aanslagvoet van de belasting

§1. Het bedrag van de belasting is als volgt vastgesteld:

1.000 EUR jaarlijks forfaitair bedrag per exploitant;

20 EUR per jaar als toeslag per fietsdeelvoertuig dat door de exploitant op het grondgebied van de gemeente wordt geëxploiteerd;

30 EURO toeslag per schijf van 1.000 geregistreerde ritten per jaar.

§2. In geval van stopzetting of aanvang van de exploitatie van een fietsdeeldienst in vrije vloot op het gemeentelijk openbaar domein tijdens het belastingjaar, wordt het jaarlijkse forfait berekend op basis van het werkelijk aantal exploitatiemaanden, waarbij elke begonnen maand volledig wordt meegerekend.

§3. Een vermindering van 50% wordt toegekend aan operatoren die zijn opgericht in de vorm van:

erkende coöperatieve vennootschappen overeenkomstig het koninklijk besluit van 8 januari 1962 betreffende de erkenning van coöperatieve vennootschappen die een sociale of maatschappelijke doelstelling kunnen aantonen;

of verenigingen zonder winstoogmerk (vzw’s) waarvan de statuten een opdracht van algemeen belang aantonen op het vlak van duurzame mobiliteit of sociale inclusie.

§4. Voor de toekenning van de vermindering moet de operator een uittreksel uit de KBO, de actuele statuten, en indien van toepassing, een erkenningsdocument voorleggen.

§5. De aanslagvoet van de belasting wordt jaarlijks aangepast als volgt:

Grondslag van de belasting 2026 2027 2028 2029 2030
Jaarlijks forfaitair bedrag 1.000€ 1.025€ 1.051€ 1.077€ 1.104€
Toeslag per geëxploiteerd voertuig 20€ 20,5€ 21€ 21,5€ 22€
Toeslag per schijf van 1.000 opgeslagen ritten 30€ 31€ 31,5€ 32,5€ 33€

Artikel 8 – Aangifte

§1.  De belastingplichtige dient per belastingjaar twee aangiften in: één voor het eerste semester (januari–juni) en één voor het tweede semester (juli–december).

§2.  Het gemeentebestuur stuurt per semester een aangifteformulier naar de belastingplichtige, dat hij ingevuld, gedateerd en ondertekend moet terugsturen vóór 15 januari van het aanslagjaar voor de eerste halfjaarlijkse aangifte en voor 15 januari van het belastingjaar volgend op het aanslagjaar voor de tweede aangifte.

§3. Belastingplichtigen die geen formulier hebben ontvangen, moet dit uiterlijk op 15 juni van het aanslagjaar aanvragen. De aangifte blijft geldig tot herroeping. Bij wijziging van de belastinggrond moet binnen 10 dagen een nieuwe aangifte worden gedaan.

§4. Bij het niet ontvangen of niet aanvragen van het formulier binnen de termijn vastgelegd in dit belastingreglement, blijft de aangifteverplichting volledig van kracht.

§5. Het formulier voor het eerste semester dat de belastingplichtige aan het gemeentebestuur moet bezorgen, bevat de volgende gegevens:

het totale aantal fietsdeelvoertuigen dat tijdens het eerste semester van het aanslagjaar in dienst was op het grondgebied van de gemeente Etterbeek;

het aantal geregistreerde ritten in diezelfde periode, opgesplitst als volgt:

  • ritten die enkel zijn gestart op het grondgebied van de gemeente;
  • ritten die enkel zijn beëindigd op het grondgebied van de gemeente;
  • ritten die zowel zijn gestart als beëindigd op het grondgebied van de gemeente.

§6. Het formulier voor het tweede semester dat de belastingplichtige aan het gemeentebestuur moet bezorgen, bevat de volgende gegevens:

het totale aantal fietsdeelvoertuigen dat tijdens het volledige aanslagjaar in dienst was op het grondgebied van de gemeente Etterbeek;

het aantal geregistreerde ritten in diezelfde periode, opgesplitst als volgt:

  • ritten die enkel zijn gestart op het grondgebied van de gemeente;
  • ritten die enkel zijn beëindigd op het grondgebied van de gemeente;
  • ritten die zowel zijn gestart als beëindigd op het grondgebied van de gemeente.

§7. De belastingplichtige moet bij zijn aangifte de bewijsstukken voegen die de controle van de aangegeven gegevens mogelijk maken, zoals geanonimiseerde statistische of technische overzichten.

Artikel 9 – Voorlopige inkohiering en definitieve inkohiering

§1. Er gebeurt een eerste inkohiering, de zogenaamde voorlopige inkohieringg, op basis van de aangifte van het eerste semester van het aanslagjaar. Met deze voorlopige inkohiering wordt een voorschot geïnd op een deel van de jaarlijkse belasting, berekend op basis van de aangegeven elementen voor die periode.

§2. Er gebeurt een tweede inkohiering, de zogenaamde definitieve inkohieringg, op basis van de aangifte van het tweede semester van het aanslagjaar. Met die definitieve inkohiering wordt de definitieve jaarlijkse belasting gevestigd.

§3. Voor de definitieve inkohiering bepaalt het gemeentebestuur de jaarlijkse grondslag van de belasting door het totale aantal fietsdeelvoertuigen dat tijdens het volledige aanslagjaar in dienst was op het grondgebied van de gemeente Etterbeek en het totale aantal geregistreerde ritten in diezelfde periode te consolideren.

§4. De definitieve inkohiering bevat het jaarlijks forfaitair bedrag en het resterende saldo van het totaalbedrag van de jaarlijkse belasting dat nog verschuldigd is, na aftrek van het bedrag dat voorlopig werd ingekohierd op basis van de aangifte van het eerste semester van het aanslagjaar.

Artikel 10 – Controle en aanslag van ambtswege

§1. De bevoegde gemeentedienst kan op elk moment van de belastingplichtigen eisen dat zij documenten of gegevens voorleggen die nodig zijn om de juistheid van de aangegeven elementen te controleren. Deze gegevens moeten toelaten het aantal voertuigen in dienst en het aantal geregistreerde ritten op het grondgebied van de gemeente te controleren.

§2. Bij het niet indienen van een aangifte binnen de opgelegde termijnen, of bij een kennelijk onvolledige, onjuiste of onnauwkeurige aangifte, wordt de belasting ambtshalve ingekohierd op basis van gegevens waarover het gemeentebestuur beschikt.

§3. Voordat de gemeente overgaat tot de aanslag van ambtswege, informeert het de belastingplichtige, met een aangetekende brief, over de redenen voor deze procedure, de elementen waarop de aanslag is gebaseerd, de wijze waarop deze elementen worden bepaald en het voorlopige bedrag van de belasting. Daarvoor past het gemeentebestuur, naargelang het geval, één van de volgende methodes toe:

ofwel het gemiddelde van de volumes die door de belastingplichtige in de voorgaande jaren zijn aangegeven;

ofwel, in geval van een eerste jaar van activiteit of aanhoudende tekortkoming, het gemiddelde van de volumes die vergelijkbare operatoren die actief zijn op het grondgebied van de gemeente of het Gewest hebben aangegeven;

bij gebrek aan dergelijke vergelijkingspunten, wordt de schatting gebaseerd op beschikbare statistieken van het Gewest of van de gemeente, aangepast om de vermoedelijke activiteit van de operator redelijk te weerspiegelen.

§4. De belastingplichtige beschikt over een termijn van dertig kalenderdagen, te rekenen vanaf de derde werkdag die volgt op de verzending van de kennisgeving, om zijn opmerkingen schriftelijk mee te delen. Hij moet daarvoor alle nuttige bewijsstukken ter ondersteuning van zijn aangifte voorleggen. Bij gebrek aan antwoord binnen de termijn of bij afwezigheid van bewijzen, zal het gemeentebestuur overgaan tot de ambtshalve inkohiering van de belasting.

§5. De bedragen van de ambtshalve heffing worden als volgt verhoogd:

  • eerste ambtshalve inkohiering: 20% van het verschuldigde of geschatte recht;
  • tweede ambtshalve inkohiering: 50% van het verschuldigde of geschatte recht;
  • vanaf de derde ambtshalve inkohiering: 100% van het verschuldigde of geschatte verschuldigde recht.

§6. Een ambtshalve inkohiering wordt niet in aanmerking genomen voor de berekening van de verhoging wanneer de belasting normaal ingekohierd werd in de loop van de drie aanslagjaren die volgen op het jaar waarop deze ambtshalve inkohiering betrekking heeft.

Artikel 11 – Bezwaar

§1. Bezwaren tegen de belasting die wordt gevestigd op grond van dit reglement kunnen schriftelijk worden ingediend, bij het college van burgemeester en schepenen, ondertekend en met redenen omkleed zijn en, op straffe van verval, worden ingediend binnen een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet.

§2. Het bezwaar moet ondertekend en gemotiveerd zijn. Zo niet, zal het onontvankelijk worden verklaard.

§3. Het indienen van een bezwaart schort de verplichting tot betaling van de belasting niet op, tenzij uitdrukkelijk anders beslist door het college.

Artikel 12 – Invordering

Deze belasting en eventuele verhoging ervan worden door middel van een kohier geïnd. De belastingplichtige ontvangt, zonder kosten, een aanslagbiljet. De belasting moet betaald worden binnen de twee maanden na verzending van het aanslagbiljet.

Artikel 13 – Non-cumul met andere belastingen of retributies

Deze belasting is onafhankelijk:

  • van de retributies die worden geïnd op grond van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 13 juli 2023;
  • van de gemeentelijke retributies voor de verwijdering en bewaking van foutgeparkeerde voertuigen;
  • van elke retributie voor de tijdelijke bezetting van de openbare weg.

Artikel 14 – Inwerkingtreding

Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2026.

Thématique