Fernand Demany wordt geboren in Luik op 26 juni 1904. Hij verliest zijn vader wanneer hij twee jaar oud is. Zijn moeder, die alleen voor twee jonge kinderen moet zorgen, besluit naar Antwerpen te trekken, waar haar broer woont, die arts is. Als overtuigd katholieke vrouw schrijft ze Fernand in aan het Onze-Lieve-Vrouwecollege, dat wordt geleid door jezuïeten. Hij is echter heel eigenzinnig en wordt in februari 1921, enkele maanden voor het einde van zijn humaniora, van school gestuurd. Zijn opvliegende karakter zal hem zijn hele leven vergezellen en diepgaand beïnvloeden.
Vastbesloten om niet langer afhankelijk te zijn van zijn moeder, gaat hij werken. Zijn schrijftalent, dat al vroeg wordt opgemerkt, opent voor hem de deuren van “L’Écho du Soir”, waarna hij snel overstapt naar de liberale Antwerpse krant “Le Matin”. Demany verslaat er uiteenlopende onderwerpen, zowel in het Frans als in het Nederlands. In 1931 wordt hij door de hoofdredactie van “Le Soir” aangetrokken als allround reporter.
De pen als wapen: een journalist tegenover de bezetter
Binnen de liberale beweging schrijft Demany in de jaren 1930 talrijke artikels tegen het fascisme en het rexisme. Hij uit ook scherpe kritiek op de neutraliteitspolitiek van koning Leopold III. Wanneer België in mei 1940 capituleert, bevindt hij zich in Parijs, maar hij keert in september 1940 terug naar Brussel. Omdat hij weigert te schrijven voor de officiële kranten, krijgt hij via de burgemeester van Etterbeek, Louis Schmidt, een baan als gemeentelijk bediende.
In februari 1941 lanceert Fernand Demany op eigen houtje de clandestiene krant “La Résistance Passive”, later “La Résistance”. De krant verschijnt 41 keer, telkens in een oplage van 500 tot 1000 exemplaren. In de felle, typische stijl van Demany hekelen de artikels de passiviteit en sporen ze aan tot gewapend verzet.
Daarnaast levert hij talrijke bijdragen aan andere persbladen van “La Résistance”, vooral aan “La Voix des Belges”. Via burgemeester Louis Schmidt komt hij in contact met de verantwoordelijke van deze groep, de katholiek Camille Joset. Deze verzetsstrijder met scherpe pen schrijft in dit emblematische blad de rubriek over de verraders, “La Faune des Cloaques”. De arrestatie van Camille Joset en Louis Schmidt op 27 april 1942 dwingt Fernand Demany ertoe volledig onder te duiken.
Aan het begin van de winter 1941‑1942 wordt hij benaderd door dokter Albert Marteaux, die hem vraagt mee te werken aan de oprichting van het Onafhankelijkheidsfront. Demany aanvaardt en wordt nationaal secretaris van de beweging. Via de vele bladen waaraan hij meewerkt, verspreidt hij de woorden van het Front: “La Résistance”, dat voortaan aan het Onafhankelijkheidsfront is verbonden, “Libération”, “Front” en uiteraard het beroemde “Le Faux‑Soir” van 9 november 1943.
In de herfst van 1943 beslist het Onafhankelijkheidsfront om een nieuw blad te lanceren: “Front”. Het verschijnt vijftien keer, van oktober 1943 tot september 1944, in een oplage van meer dan 30.000 exemplaren, verspreid over Brussel en Wallonië. Het blad wil alle patriotten verenigen, over de vooroorlogse breuklijnen heen, in de strijd tegen de bezetter en zijn medestanders. “Front” onderscheidt zich van andere publicaties van “Résistance” door zijn campagne tegen bank- en industrieleiders die zich in dienst van de bezetter hebben gesteld. In dit blad kan Fernand Demany al zijn talent als pamfletschrijver ontplooien.
Zoals hierboven vermeld, neemt hij actief deel aan de redactie van “Le Faux‑Soir”, de imitatie die op 9 november 1943 onder de neus van de nazi’s werd uitgebracht. Hoewel de verdienste van deze heldhaftige verzetsactie in de eerste plaats toekomt aan René Noël, de Brabantse verantwoordelijke van het Onafhankelijkheidsfront, speelt ook Demany een centrale rol. Hij is de auteur van de meeste artikels, waaronder “Nouvelles du Pays”, “Du Décrochage à la Victoire Défensive”, “Un Document”, “La Feldgendarmerie arrête l’Untersturmführer Degrelle” en “Partisans et Réfractaires”. Er werden 50.000 exemplaren van het blad verspreid, wat 343.000 frank opbracht voor de Brabantse afdeling, voor een kostprijs van 25.000 frank.
Een strijder zonder oorlog: de ontgoochelingen van de bevrijding
Van 26 september tot 16 november 1944 is hij minister belast met Informatie in de regering‑Pierlot. Hij neemt ontslag, samen met de twee andere communistische ministers, uit protest tegen het ontwapenen van het verzet. Deze gebeurtenis markeert het politieke verval van de verzetsbewegingen, een fenomeen dat ook in Frankrijk duidelijk zichtbaar zal worden.
Op 2 oktober 1945 richt Fernand Demany de verzetskrant “L’Éclair” op voor oud‑verzetslieden. Zoals vele publicaties die uit de geest van het verzet zijn ontstaan, gaat ook dit dagblad snel achteruit door de dalende oplage. Demany waagt zich intussen in de politieke arena en verklaart zich officieel lid van de communistische partij. In februari 1946 wordt hij verkozen tot volksvertegenwoordiger voor Charleroi en wordt hij hoofdredacteur van “Le Drapeau Rouge”. Hij valt op door zijn toewijding in de debatten en de kwaliteit van zijn tussenkomsten. In juni 1950 wordt hij uit de partij gezet, die zijn antistalinistische standpunten slechts matig wist te waarderen.
Vanaf 1 mei 1952 werkt hij mee aan de socialistische krant “Le Peuple” en aan “Indépendance”, het dagblad van de regio Charleroi. In december 1962 wordt hij uit “Le Peuple” gezet wegens zijn kritische artikels over de socialistische partij die in “Indépendance” waren verschenen. In januari 1963 begint hij samen te werken met het persorgaan “La Wallonie”, waarna hij van juni 1963 tot mei 1972 hoofdredacteur wordt van “Vlan”. Fernand Demany overlijdt in Ukkel op 19 juni 1977.
De gemeente Etterbeek wil hulde brengen aan deze journalist die al in de jaren 1930 de gevaren van het nazisme aanklaagde en vanaf de eerste uren van de bezetting een verzetsstrijder met een scherpe pen werd.