Pinkus « Pierre » Broder

In 1926 vlucht Pinkus Broder van Polen naar België. Als gevolg van de nazibezetting sluit hij zich in 1940 in Charleroi aan bij het verzet. Hij organiseert reddingsacties, ondersteunt kinderen en hun moeders en schrijft het clandestiene Jiddische blad Unzer Kampf. Voor hem betekent verzet: redden en de menselijkheid bevestigen. Na de oorlog verdedigt hij de overlevenden en draagt hij deze herinnering verder uit. Hij overlijdt in 1969, met de overtuiging dat verzet een noodzaak blijft tegenover de barbarij.

De man die door ballingschap werd gevormd

Wanneer Pinkus Broder in 1926 in België aankomt, was hij niet alleen op de vlucht voor de armoede en het antisemitisme van het Polen uit zijn jeugd. Hij brengt ook een overtuiging mee die al vroeg in hem was gevormd: niemand overleeft alleen. n de arbeiderswijken waar hij gaat wonen (eerst in Brussel, later in de regio Charleroi) vindt hij terug wat zijn jeugd had bepaald: solidariteit, politieke discussie, de overtuiging dat onrecht geen noodlot is maar een strijd die gevoerd moet worden.

Hij voert actie, schrijft, verkoopt, organiseert. Niets wijst nog op de clandestiniteit, maar alles bereidt hem erop voor.

In mei 1940, wanneer het Duitse leger België binnenvalt, begrijpt Pinkus Broder vrijwel meteen wat deze nederlaag voor de Joden betekent. De vernederingen worden systematisch: beroepsverboden, verplichte registraties, de gele ster. Daarna volgen de geruchten, de oproepbrieven, de eerste treinen. Vanaf 1942 draait alles nog maar om één ding: overleven.

Op dat moment treedt Broder volledig toe tot het verzet.

Organiseren, verbergen, schrijven: de wapens van Pinkus Broder

In de regio Charleroi wordt hij een van de lokale verantwoordelijken van het Comité voor Joodse Verdediging. Het werk is onzichtbaar, maar houdt nooit op. Er moeten gezinnen worden gevonden die bereid zijn een kind te verwelkomen dat ze niet kennen. Er moet worden overtuigd, gerustgesteld, soms gelogen. Er moeten nachtelijke verplaatsingen worden georganiseerd, valse papieren gemaakt, namen veranderd, volledige levensverhalen uitgevonden in enkele uren tijd. Elk detail kan levens redden of in gevaar brengen.

Pinkus Broder weet dat elke beslissing levens op het spel zet, ook dat van zichzelf. Er zijn regelmatig arrestaties, de Gestapo ligt op de loer, net als verklikkers. Toch gaat hij door. Want opgeven zou betekenen dat hij het nazistische wereldbeeld aanvaardt.

Hij ziet moeders met tranen in de ogen hun toevertrouwen aan anderen, zonder te weten of ze hen ooit zullen terugzien. Broder beperkt zich niet tot organiseren: hij biedt steun, troost en uitleg. Verzet is ook een kwestie van menselijkheid.

Maar verzet betekent voor hem niet alleen verbergen en redden. Het betekent ook schrijven en schrijven in het Jiddisch, terwijl alles erop gericht is het Joodse bestaan uit te wissen. In de clandestiniteit werkt hij mee aan het Jiddische verzetsblad “Unzer Kampf”. Elke getypte pagina is een bevestiging: wij zijn er nog, wij denken, wij verzetten ons.

Wanneer de oorlog eindigt, beschouwt Pinkus Broder zichzelf niet als een held. Hij weet dat dit Joodse verzet, discreet en ongewapend, het risico loopt vergeten te worden. Daarom blijft hij zich inzetten, maar dan op een andere manier. Hij helpt de overlevenden, verdedigt de rechten van voormalige verzetslieden, schrijft om door te geven wat velen liever zouden verzwijgen of vereenvoudigen.

Tot aan zijn dood in 1969 blijft hij trouw aan één eenvoudige, maar veeleisende gedachte: tegenover barbarij is verzet geen morele keuze, maar een levensnoodzaak.

Pinkus Broder vocht niet met een wapen in de hand. Hij organiseerde. En in de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog heet ook dat verzet.